Het oude testament
Een oud-collega van mij, Professor Cas Labuschagne, omschreef het Oude Testament als: ‘Gods Oude Plakboek’: “een ingewikkeld samengesteld knipselalbum waarin de meest waardevolle resten van de schriftelijke neerslag van de geloofservaringen van het oude Israël zijn verzameld en bewaard”.
Het gaat in het Oude Testament om ‘het oude Israël’, ook genoemd ‘het Bijbelse Israël. We moeten goed bedenken dat je dit niet kunt laten samenvallen met de staat Israël van nu. Duizenden jaren zijn voorbijgegaan. De staat Israël van nu leeft niet meer volgens de Tora en is eigenlijk een seculiere, ethnische staat, alleen voor Joden.
Het oude Israël heeft zich ontwikkeld uit een verzameling stammen, aan elkaar verbonden omdat zij alle afstamden van één aartsvader: Abraham, en de God vereerden die hem naar Kanaän had gebracht en hen uit de slavernij uit Egypte bevrijd had en teruggebracht naar het stuk land van hun aartsvaders. De verzamelde stammen werden ‘Israëlieten’ genoemd naar de zoon van Abraham, Izak, die later ‘Israël’ heette.
De bevrijding uit Egypte is het belangrijkste gebeuren in de geschiedenis van het volk Israël. Tijdens die lange tocht ontving Mozes van de God van Abraham, Izak en Jacob een bevestiging van Godswege dat die God Israëls God wilde zijn. Er werd een verbond gesloten. God gaf aanwijzingen hoe het volk op Gods weg kon blijven lopen: de Tora. Zolang het volk die leefregels in acht zou nemen, zou het in het beloofde land mogen wonen. Als het volk na de woestijntocht aan de grens van het Land staat herinnert Jozua in zijn lange toespraak (Jozua 1) de Israëlieten aan wat bij de Verbondssluiting is afgesproken, en waarop zij ‘ja’ hebben gezegd.
We kunnen de tekst van het Oude Testament lezen als een geschiedenis van de relatie tussen: God, de Bevrijder uit slavernij, met Israël verbonden door Het Verbond en de Tora en het Land. Dit volk ontwikkelde zich, kwam in andere tijden en dus kreeg ook de relatie tot God, het Land en het Verbond andere accenten. Dat is te zien in de tekst.
Voordat de verhalen over de aartsvaders en -moeders, de bevrijding uit Egypte, het Verbond en de Tora werden opgeschreven tijdens de ballingschap in Babel, waren die verhalen al eeuwenlang mondeling overgeleverd. Wij weten allemaal wel wat daarbij gebeurt: tijdens zo’n proces verandert een verhaal.
Tussen het Bijbelse Israël en de Ene God was er volgens het oorspronkelijke Verbond een liefdesrelatie. God liefhebben met verstand, hart en ziel is de ziel van de Tora. God had Israël immers bevrijd uit de slavernij in Egypte.
In de loop van de tijd groeiden de stamgemeenschappen van het begin tot
grotere samenhang. Zij wilden, net als andere volken een koning. Die werd, volgens het
Joodse geloof de plaatsvervanger van God als leider van het volk. Hij werd als zodanig gezalfd. Hij werd een gezalfde, een messias. Als zodanig was hij ook geroepen om het volk te leiden in het respecteren van Gods Aanwijzingen, de Tora. Maar Israël richtte zich vaak ook tot de goden van andere landen, de afgoden. God trok zich dan terug als Koning en Verdediger van Israël: een buurvolk viel Israël aan en alleen na de bekering van de koning of het aanstellen van een nieuwe, wél Godvrezende koning, werd het Land gered. In de persoon van de koning van Israël trok God ook op als verdediger van Israël en deed dat soms heel wreed. Maar men vond het vanzelfsprekend dat God zijn land tot elke prijs verdedigde. We lezen die ontwikkelingen in de boeken Koningen en Kronieken. De tijd ging door. Er kwamen profeten, zoals bijvoorbeeld Jesaja, die het idee van de God van alle volken verkondigden en het Joodse volk wezen op een ‘gezicht’ van God dat liefde en gerechtigheid uitstraalde voor alle mensen. De Joodse Jezus van Nazaret stond in de lijn van deze profeten.
Dat liefhebben met hart en ziel komt vooral God dat liefde en gerechtigheid uitstraalde voor alle mensen. De Joodse Jezus van Nazaret stond in de lijn van deze profeten.
Dat liefhebben met hart en ziel komt vooral uit in de Psalmen. De toenmalige vorm van dichten was: steeds twee regels na elkaar, die met andere woorden hetzelfde zeggen. Geen eindrijm, maar zinsrijm.
De teksten van het Oude Testament zijn geschreven in het Hebreeuws, een taal die heel anders in elkaar zit dan de talen die wij in onze omgeving spreken. Bovendien heeft het Hebreeuws bijna geen klinkers. Die worden dus in de vertaling weergegeven naar wat de vertalers de meest geloofwaardige invulling achtten. Daarbij heeft elke vertaler, vroeger en nu, toch een ‘bril’ op, resultaat van haar/zijn opvoeding in het geloof, hoe kritisch men daar ook mee vertaalt.
Die opvoeding in het geloof die ons allen een bepaalde ‘bril’ geeft, is weer sterk beïnvloed door de uitleggeschiedenis van eeuwen. Zo ontstaat een traditie, het overleveren van een bepaalde uitleg van de teksten. Stations op die lange reis van de tot traditie geworden uitleg van de teksten door de eeuwen heen zijn de dogma’s. Op bepaalde punten in de geschiedenis werd het nodig geacht het toenmalige begrip van de Bijbelse tekst vast te leggen en tot dogma te maken. Een dogma is een door kerkleiders en theologen verwoorde visie op de betekenis van de teksten, die als de best geloofwaardige werd beschouwd, en dus geloofd dient te worden door de gelovigen/het kerkvolk. Dogma’s blijven meestal eeuwenlang bestaan, ze hebben gezag. Maar de omstandigheden waarin de Bijbel mensen iets kan zeggen veranderen. Een dogma is dus als een pakje, waarin in de omstandigheden van vroeger, het toenmalige godsgeloof is verpakt. Wij, in onze tijd de teksten lezend, moeten soms diep spitten naar de grondbetekenis van een bepaald gebruikt woord, maar ook de dogma’s, de traditionele pakjes waarin wij het geloof overgeleverd hebben gekregen, openmaken. We moeten het pakje van de traditie (“zó moet je dat zien en geloven”) uitpakken en de inhoud er van ’vertalen’ naar onze eigen tijd en omstandigheden.
Het Oude Testament is een prachtig rijk boek, maar het begrijpen er van is soms moeilijk en vereist samen zoeken. Maar dat is de moeite waard.
Riet Bons-Storm


